Vandaag word ik wakker met de gedachte: “Kan deze dag nog even niet beginnen”. Met mijn ogen nog dicht zie ik de dag voor me liggen: een leeg landschap met een hoge berg in de verte om te beklimmen. Ik ga de dag vullen met studeren, proberen wat energie te sparen, kort mailtjes beantwoorden, nog wat meer studeren, programmaatje tikken, tas inpakken met bladmuziek, ipad, voetpedaal, concertkleding (diverse opties, want altijd onzeker), make-up. Lampjes niet vergeten, metronoom als leuk item om dingen over te vertellen. Eten. Naar de concertlocatie. Of andersom.
Hoe totaal anders was dat toen de kinderen nog klein waren. Soms moest ik me losrukken uit een pandemonium van gegil, puinhopen speelgoed, een tafel vol met lege borden en pannen, om op tijd de deur uit te gaan, en dan maar hopen dat ik alles bij me had.
Het spelen van muziek voor publiek is een van de meest kwetsbare en persoonlijke situaties die ik ken. Ik word onherroepelijk met mijn diepste twijfels geconfronteerd en zijn mijn fysieke en mentale beperkingen op dat moment de harde realiteit waar ik mee moet werken. Dat vooruitzicht maakt de dag niet mooier.
Vanavond staat er nieuw Beethoven repertoire op de lessenaar, als muzikale try-out voor de voorstelling in de maak. Tot mijn grote schrik komen er veel mensen. Ik ben me steeds meer gaan schikken in het idee dat er weinig mensen komen. Een kleine groep liefhebbers die naar onze concerten komt, een bijna persoonlijke ontmoeting is het dan.
Als het concert is afgelopen, zijn alle twijfels en onzekerheden verdreven, we hebben samen muziek gemaakt, we hebben iets BUITENAARDS gedeeld met de luisteraars, we laven ons aan het applaus, de adrenaline heeft zijn werk gedaan. Ik ben een ander mens.